Oorlog en terpentijn
William Lenders - theaterfeniks.wordpress.com (9 december 2017)

Conflict, authenticiteit, lijfelijkheid, het obscene en het sublieme, de gruwel en de schoonheid, oorlog en terpentijn, Jan Lauwers en de Needcompany maken er een emotionele mokerslag van die blijft nazinderen.

Proloog

De voorgeschiedenis is bekend. Dertig jaar geleden kreeg schrijver, dichter, essayist en romancier Stefan Hertmans van zijn grootvader cahiers waarin hij zijn leven had opgetekend. Hij vond er een jongen in die er van droomde kunstenaar te worden, maar die vermalen werd door een tijd gedomineerd door armoede en oorlog. 'Oorlog en terpentijn' is een oorlogsgeschiedenis, een familiegeschiedenis, een tijdsbeeld, een verhaal over verschrikking en loutering, over de verwerking van een trauma, en de vertroosting van de kunst.
Zulk een epos op de planken brengen, een literair werk dat allesbehalve een theatertekst is, lijkt schier onmogelijk. Dit kan alleen als men over twee belangrijke eigenschappen beschikt: de moed om radicale keuzes te maken en een ongelooflijk métier. Twee eigenschappen waar het Jan Lauwers niet aan ontbreekt.

Kiezen is verliezen is winnen

Met de eerste keuze die hij maakt rekent hij onmiddellijk af met de schaduw van de schrijver die mogelijk over het theaterstuk zou kunnen hangen. Door radicaal de schrijver te elimineren. Niet alleen zijn lijfelijke aanwezigheid in het verhaal, maar ook tekstueel, door zijn filosofisch beschouwingen, die de gruwelijke momenten in het boek draagbaarder maken, weg te laten. Wat overblijft is conflict, de drijfveer van theater. Het conflict met een nietsontziende industriële wereld, het conflict dat ontstaat tussen de werkelijkheid en hoe die werkelijkheid zich anders openbaart in de kunst, het conflict met de gruwel van oorlog, het conflict van de onvervulde liefde. Om van daaruit al de andere thema´s aan te boren. Wat is authenticiteit, waarachtigheid, echtheid? Worden we gedreven door de tijd waarin we leven of hebben we keuzes? Waarom schuilt in de mens zowel het sublieme als het obscene?

De tweede keuze is het vertelstandpunt. Geen Stefan Hertmans, geen grootvader, slechts één stem op het podium, die van Viviane De Muynck. Zij vertelt het verhaal, in de derde persoon zo lijkt het, haar stem is de enige die je hoort, twee uur lang.

De derde keuze is die van de decentralisatie. Vooraan op het podium vertelt Viviane De Muynck het verhaal, op de achtergrond beeldt de Needcompany haar verhalen uit, op de zijkant van het podium is er Benoît Gob, die grootvader Urbain Martien belichaamt en gedurende de hele voorstelling tekent en schildert, het muzikaal trio van piano, cello en viool wordt op een beweegbaar podiumpje continu verplaatst en Grace Ellen Barkey, als verpleegster en engel van de geschiedenis, hinkt overal doorheen.

Wat wel behouden blijft is de vorm van de triptiek, de voorstelling heeft drie duidelijke delen. De jonge jaren, waar de opmaat van de oorlog al aanwezig is, de oorlogsjaren zelf, en het leven, zo mogelijk of wat er nog rest, nadien.

Prelude to war

Of het begin van deel één effectief wat afstandelijk is of dat het gewoon wennen is aan de onverwachte vertelpositie van Viviane De Muynck in de derde persoon, weet ik nog niet zeker. Daarvoor zal ik het stuk een tweede keer moeten bekijken (wat ik met plezier ga doen overigens). Toch ebt dit gevoel zeer snel weg door de beklijvende vertelling waar de hardheid en het gevaar (én de vernietigingskracht) van de industriële hoogovens tot uiting komt. In één simpel verhaal wordt duidelijk hoe de industrialisering van de 19de eeuw de voorafspiegeling is van wat komen gaat, de verandering van de aard van oorlogsvoering in de 21ste eeuw heeft hier haar wortels. In een rurale economie, kleiner van aard, heeft zelfs de landarbeider, de knecht, zijn waarde. Zij het misschien louter als os of paard, maar hoe dan ook, men draagt zorg voor zijn beesten. In een industrieel landschap, verstedelijkt, met heel veel arbeidsvlees voor handen verandert dat. Een arbeider vermalen of verbrand door de hoogovens, wordt dan gewoon vervangen door een nieuwe. Deze achteloosheid met het menselijk lichaam, het menselijk kende uiteindelijk zijn vertaling in oorlogstermen. Kanonnenvlees, er is genoeg waar dat vandaan komt. Het obscene is al volop aanwezig.

Maar ook het sublieme, door de kennismaking met de kunst, de openbaring van dat magnifieke monster, in die prachtige scene waar een soort kunst moloch zich ontvouwt. Op het eerste zicht lijkt het een grotesk wezen, samengesteld uit ruwe, haast machinale ledematen, met als hoofd een Maria portret. Aan kabels vast richt het zich op, en komt tot leven. Een waanzinnig mooi moment. Diep in me herkende, herinnerde een vezel zich dat moment, die eerste openbaring van het sublieme.

The horror, the horror

Deel twee begint met een koude, haast terloopse, mededeling. Gavrilo Princip vermoorde aartshertog Franz Ferdinand en de Grote Oorlog begint. Terwijl ze dit zegt neemt de schilder het grote, zeer aanwezige, schilderij van een gekruisigde Christus aan de rand van het podium weg. En legt het op de kast, omgekeerd, niet meer zichtbaar. Voor de zoon van God, die het lijden van de mens op zich nam, is er geen plaats meer. Het lijden komt weer volledig, en loodzwaar, op de schouders van de mens zelf terecht.

En de stem van Viviane De Muynck zwijgt, alsof er geen ruimte meer is voor de stem van een mens. Woorden zijn er nog, maar in stilte, geprojecteerd op de houten achterwanden, als eigenzinnige actoren.

De acteurs of performers van de Needcompany nemen het nu over en tonen de oorlog, de verschrikking, de gruwel, 25 minuten lang. In zeer lijfelijke scenes, ruwe lijfelijkheid. In het begin lijkt het nog gestileerd, dansscenes haast, zoals geweld altijd getoond wordt in blockbuster movies. Maar wordt alsmaar rauwer van aard, alsof de actoren zelf meegesleept worden in de orgie van het obscene. Of het nu om seksualiteit of geweld gaat, het obscene is altijd lichamelijk van aard. De obsceniteit is de mens gereduceerd tot lichaamsdelen. Op een bepaald staan ze dan, met ontbloot bovenlichaam, de armen gespreid, haast als gekruisigden, als kinderen van een wrede god. Louter geteld in minuten is het misschien niet zo´n lange scene, maar zo voelt ze wel aan. Door het rauwe geweld. Het slaan op de houten achterwanden, die effectief als kanoninslagen voelen, het losmaken van de riem en het geschreeuw van de engel tijdens de verkrachtingsscene, het onophoudelijk trillen door de shell shock van Sarah Lutz, ik voel en hoor het nu nog altijd.

Ervan wegvluchten ging niet. Vooraan op het podium zit gedurende die hele scene Viviane De Muynck, en zegt niets. Ze kijkt. Ze staart. Een blik op oneindig, vol ontzetting, vol pij, vol gruwel. Neen, die ogen helpen niet om te vluchten van de gruwel van de oorlog achter haar. Die ogen versterken het alleen maar.

Tegelijkertijd zit in die oorlogsscene ook weer het hele authenticiteit verhaal. Wat is echt en wat niet? Er is een choreografie, maar tegelijkertijd is het er één waarbij de remblokken gesaboteerd zijn. Je merkt plots dat er codesignalen zijn, tikken op een bepaalde plaats om aan te geven dat het te ver gat, dat het te veel pijn doet. Dat er zulke signalen bestaan tussen de performers geeft aan dat ze vaak er over gaan, over de grens van het toelaatbare. Tijdens de voorstelling komt zo een klap in het gezicht te hard aan, écht aan. Met échte pijn, échte tranen tot gevolg. En échte woede, en écht terugslaan. Is dit authentieker? En wat met de rol van toeschouwer, de voyeur. Ben je meer of minder obsceen als het geweld dat je ziet echt of nep is? En wat als het over elkaar schuren van lichamen in geweld, je toch op een bepaald moment doen denken aan lust? Dat het sublieme kan schuilen in het obscene?
Het einde van de oorlog schittert dan ook niet, na alles wat gebeurt kan dat niet meer zo maar. De lach op de gezichten is grotesk, er over. Gewoon lachen, gewoon blij zijn kan niet meer echt. Dus maak je een lach, imiteer je een lach. Reden tot authentieke vreugde leidt niet naar vreugde.

‘De waarheid van het leven verbergt zich vaak op plekken die men niet met authenticiteit verbindt. Het leven is subtieler in die dingen dan de moraal van mensen en hun rechtlijnigheden. Het leven werkt als deze kopiërende schilder, met schijn die waarheid zal verbeelden.’

In het derde deel toont Viviane De Muynck zich als de grootmoeder, Gabrielle, de vrouw van Urbain, en de zuster van Maria Emelia. Dit is de vrouw waarmee Urbain zou trouwen, zijn echte grote liefde. Zijn authentieke liefde, hier in de betekenis van uniek en onvervangbaar. De ironie van het lot zorgt ervoor dat zij ten onder gaat aan de griepepidemie die door de massa bijeenkomsten om het einde van de oorlog te vieren vlot verspreid werd. In een weer zeer lijfelijke scene, een doodsreutel die door merg en been gaat. En Gabrielle vertelt verder, over haar man, de schaduw van haar zus, haar seksleven. Hoe Urbain de Venus van Velasquez naschilderde, met in de spiegel het gezicht van haar zus. En hoe het enige échte schilderij dat Urbain, een kopiist, ooit gemaakt heeft, een portret van haar is. In de kopie schuilde de authentieke liefde, in de authentieke kunst de leugen van de liefde.

Terwijl het verhaal naar zijn einde loopt ruimen de acteurs van de Needcompany het podium op. Tot er niets meer overblijft. Behalve zij allemaal zelf, op het podium van de muzikanten. Opgesteld als in het vlot van de Medusa van Géricault. Schipbreukelingen van de tijd, van het leven. Vooruit jongens!
Dit nog. De muziek is eveneens een vitaal en evenwaardig onderdeel van deze totaalvoorstelling. De composities van Rombout Willems zijn prachtig, Alain Franco (piano), Simon Lenski (cello) en George van Dam (viool) zijn niet enkel fantastische muzikanten, maar mede-soldaten in het strijdgewoel.
Ik kan het niet anders zeggen, dit stuk wordt gedragen door vrouwen. Viviane De Muynck is een fenomeen, haar stem laat me nooit los. Grace Ellen Barkey als engel is de perfecte verbinding tussen werelden, en naar Mélissa Guérin en Sarah Lutz heb ik ademloos gekeken. Ik voelde angst voor hun geweld, werd geraakt door hun gratie, moest huilen om hun pijn, verliefd quoi.

Ik geef geen sterren aan een voorstelling. Maar mocht ik verplicht zijn dan zou ik zeggen: kijk naar de hemel op een heldere nacht en voel de schittering!

En nog een kleine dienstmededeling: welk een plezier is het toch, zulk een voorstelling te mogen bijwonen in een prachtige zaal als de Bourla. En het personeel zijn schatten van mensen. Het sublieme in het dagelijkse mogen we nooit veronachtzamen.

Needcompany
Ensemble
weNEEDmoreCOMPANY
Contact
Ontwikkeling
NEEDCOMPANY  |  info@needcompany.org  |  Pro area