Who’s afraid of Virginia Woolf II
Elke Van Campenhout - Etcetera (-- januari 2008)

Welke kunstenaar durft het vandaag nog te hebben over de liefde? Over dat sentimentele verlengstuk van de burgerlijkheid? Dat huisje-tuintje-boompje gevoel, geplaveid met compromissen. Of erger nog, over de romantische liefde, die Sehnsucht, die cultuurtheoreticus Slavoj Zizek vergelijkt met een Kinder Surprise Ei: eigenlijk wil ik niet het ei, maar het surplus dat daar ergens in verborgen zit. En om dat te vinden, wil ik je met plezier aan stukken slaan. Been there, done that, zegt de gemiddelde theatermaker. De liefde past vandaag niet meer op het podium. Ze is te expliciet, te sensueel, te gevoelerig. Geen wapen voor de intellectuele estheet of de politieke activist. Het gevaar is groot dat je vervalt in romantische clichés, of die nu zoeterig of gewelddadig zijn. En dat is wel het laatste waar een maker zich vandaag mee wil associëren. Exit de liefde dus, tenzij ze in de onmogelijke handen van Josse De Pauw terecht komt. Of zich schuil houdt in het bos van briljante bespiegelingen van Marcel Proust. En toch is er af en toe die maker die de handschoen opneemt, om te laveren tussen het al te persoonlijke, en het pijnlijk herkenbare. Die de liefde durft te laten zien in al haar waarheid en leugen, in al haar en zijn kwetsbaarheid. Hans Petter Dahl en Anneke Bonnema schreven met The Ballad of Ricky and Ronny de kroniek van een verloren tijd. Hun exhibitionistisch geëxposeerde lichamen blazen nog een laatste adem uit van een era van vrije seks en hallucinogene verdwazing. Maar intussen woedt buiten de oorlog en is het zweet van de jaren ‘60-opwinding verkoeld tot een klamme tweede huid, die hun glorieuze lijven als een dwangbuis omsluit. Wat overblijft is banaliteit, verveling, angst, en vertwijfeling. Maar de liefde is er niet minder op geworden. --- The Ballad of Ricky and Ronny --- De liefde in The Ballad of Ricky and Ronny heeft haar sporen al ruimschoots verdiend. Geen grootse gebaren hier, maar enkel de ingehouden monotonie van een relatie die zo langzamerhand geen enkele illusie meer heeft op te houden. Anneke Bonnema en Hans Petter Dahl staan eenzaam op een quasi leeg podium, enkel begeleid door een simpele rhythm box. Hun pop opera is een nauwelijks hoorbare echo van de enthousiaste onschuld en pathetiek van de rock ‘n roll-jaren, van het geloof in de uiteindelijke verlossing. De monotone uitvoering van de songs, verhindert dat je jezelf in emoties verliest. Onaangedaan gaan de twee protago¬nisten door hun repertoire: rhythm box aan, rhythm box uit. De klank is mechanisch, de stemmen ingehouden en vlak. Geen rock machismo. Geen adrenaline. Geen testosteron. Enkel nog de essentie. Twee stemmen. Eén ritme. Dat de dagdagelijksheid van de verveling, het verlies, en de stille wanhoop, onverbiddelijk voortstuwt. The Ballad of Ricky and Ronny is daarom nog geen neerslachtige voorstelling. Melancholisch, dat wel, maar dan zonder enige vorm van pathetiek. De rock-duetten sluimeren ergens tussen Nico en Leonard Cohen in. Kurkdroog, ontdaan van hun zachte verleiding, onthullen ze enkel nog de onbarmhartigheid van het alledaagse. Van een liefde die haar eigen grenzen ruim heeft overschreden. Het is precies het ingehouden spel van beide acteurs, en hun keuze om het rockgehalte van de voorstelling te temperen tot op het punt van verveling, dat deze voorstelling zo krachtig maakt. Elke song ademt herinneringen, maar spreekt tegelijkertijd van het deficit van een verloren geloof. Ricky en Ronny waren kinderen van hun tijd, denk je. Zij hebben hun heil gezocht in religie en politiek, maar niet echt. In het geloof en de natuur, maar zonder veel overtuiging. Ze zijn de eerste generatie die seks hebben losgekoppeld van reproductie. En nu, zoveel jaar later, proberen ze zich te verzoenen met de leegte van hun aspiraties. Ronny waagt nog eens een futiele poging tot subversie door op hoge hakken over het podium te drenzen met een nylon over zijn kop. Ricky hijst zich in een sexy club outfit, die niks aan de verbeelding van haar welgevormde achterkant overlaat. Maar hun fantasieën lopen enkel nog uit op kleinzielig geneuzel. Meer en meer neemt de angst het over van de verbeelding. In het begin houdt de voorstelling nog vast aan de herkenbaarheid van een vermoeid en repetitief koppelleven, maar langzamerhand evolueert The Ballad naar absurde waanzin. Het begint met een onschuldige hallucinatie: Ronny ziet op een avond, tijdens een gezellig etentje bij kaarlicht, de geest van een kind plaats nemen aan de tafel. Hij noemt zijn imaginaire kind Vrijheid, en wijst hem een kamer toe in hun steeds labyrintischer uitdijende huis. Ook Ricky verliest zich meer en meer in het idee van hun vormeloze nageboorte. De enige informatie die je als toeschouwer krijgt over het kind, komt uit de popnummers, waarvan de taal zich steeds verder van een herkenbare werkelijkheid losmaakt. De ene keer neemt Vrijheid de gestalte aan van een onvolgroeid geslachtsdeel in een doodsbed van sperma. De andere keer is hij niet meer dan een windvlaag, die het hele huis verkilt. Of een paar donkere wolken, die de oorlogsdreiging binnenwurmt in hun narcistische leventjes. Vrijheid is een kind dat niet geboren lijkt uit wellust, maar uit verlies. Uit de onverwerkte rouw om de hoop die nooit waarheid is geworden. Niet zozeer de rouw om een verloren geliefde, om diegene die je ergens in de tijd bent kwijt geraakt. Ook niet de rouw om een ideologie, politieke over¬tuigingen of filosofisch geneuzel, want daar wordt geen woord aan vuil gemaakt. Maar wel de rouw om het meer alledaagse geloof dat vanuit die theorieën een heel mensenleven vorm gaf: het geloof in de vrijheid, in een seksualiteit die alle grenzen zou open gooien. En ja, in de liefde. Misschien geloven ze nog wel in mekaar, maar ze geloven niet langer dat deze verbondenheid hen kan redden van de buitenwereld. Ricky en Ronny is het verhaal van een hedendaagse liefde, die nog navibreert in de schokgolf van toen. Het is het verhaal van een verloren onschuld, van mensen die verloren als sneeuwvlokjes ronddwarrelen. Menselijke vlokjes die uit flatgebouwen naar beneden zweven. Het is dat ene beeld van de Twin Towers dat niemand ooit zal vergeten. Maar in The Ballad raken de lijven nooit de grond. Uit de tekst, maar ook uit de verrassende tekenfilm-eindscène, krijgen we de vlokjes te zien, als onschuldig troostende bodembedekkers, als spermacellen in de ruimte, als sterren in de Melkweg. Hans Petter Dahl en Anneke Bonnema schaatsen op de grens tussen het alledaagse en het absurde, tussen liefde en vervreemding. De intimiteit die uit hun aanwezigheid op het podium spreekt, is een staaltje van kwetsbaarheid dat maar heel weinig in het theater valt mee te maken.

Needcompany
Ensemble
weNEEDmoreCOMPANY
Contact
Ontwikkeling
NEEDCOMPANY  |  info@needcompany.org  |  Pro area